Kamerbrief over herijking diepe-plassen-beleid

[Contact us for a price]
 

Staatssecretaris Heijnen (IenW) informeert de Tweede Kamer over de herijking van het diepe -plassen-beleid. Het gaat daarbij om de aansluiting van de wetgeving voor bodem en water op elkaar. Zij stuurt het rapport 'Bouwen en vertrouwen' en een beslisnota mee met de Kamerbrief.

Een diepe plas komt in Nederland niet van nature voor en ontstaat veelal door het winnen van zand, grind of klei. Voor het winnen van deze materialen wordt door de provincie een ontgrondingenvergunning afgegeven. Een verplichting tot latere reconstructie van een diepe plas door een verondieping is hier vaak onderdeel van. Een initiatief tot het winnen van zand en/of grond en/of het verondiepen van
een diepe plas moet ook passen binnen een bestemmingsplan en onder de Omgevingswet een Omgevingsplan. Niet het Rijk maar de gemeenten en de provincies hebben hier in eerste instantie de regie. Pas als een Omgevingsplan ruimte biedt voor een initiatief kan binnen de kaders van het Besluit bodemkwaliteit en bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onder het Besluit activiteiten leefomgeving door de waterbeheerder (waterschap of RWS) worden getoetst of het door de initiatiefnemer toe te passen materiaal uit oogpunt van (grond)waterkwaliteit en ecologie voldoet om een diepe plas te verondiepen.

Bodem- en waterbeleid
Jaarlijks wordt in Nederland veel grond verzet. Voor bouwprojecten, infrastructuur en andere werken wordt in Nederland grond ontgraven, getransporteerd en weer toegepast. Na winning van zand en grind ontstaan nieuwe diepe plassen. Uit oogpunt van circulariteit is het beleid erop gericht om zoveel mogelijk grond en baggerspecie te hergebruiken. De kwaliteit van de grond en baggerspecie is voor hergebruik veelal voldoende.

Het huidige bodembeleid is - door het stellen van algemene regels voor het toepassen van grond en baggerspecie - vastgelegd in het Besluit bodemkwaliteit (Bbk 2008). Uitgangspunt was destijds onder meer dat door hergebruik van grond de primaire winning van grondstoffen kan worden beperkt. Nadat er in 2009 maatschappelijke zorgen en vragen waren over het verondiepen van diepe plassen zijn de circulaire en de handreiking voor het herinrichten van diepe plassen ontwikkeld en in 2010 vastgesteld. De circulaire en de handreiking
bieden informatie over verantwoord toepassen van grond en baggerspecie in diepe plassen. De circulaire en de handreiking hebben echter een onvoldoende juridische basis om in formele zin zaken te kunnen afdwingen. Ik ga kijken naar de actualisatie van de circulaire en handreiking en welke positie deze onder het nieuwe recht moeten krijgen.

Het inrichten van een diepe plas moet ook in lijn zijn met de ambities uit het Nationaal Water Programma 2020-2027 (NWP) en de doelstellingen van de Kaderrichtlijnwater (KRW). Dit betekent dat een verondieping niet mag leiden tot een achteruitgang van de toestand van het betreffende oppervlakte- en /of grondwaterlichaam. Aandachtspunt hierbij is dat de bodem- en waterwetgeving onvoldoende op elkaar aansluiten. Dit is een breder vraagstuk dat op dit moment in beeld wordt gebracht.

Herijking van het diepe-plassen-beleid
In 2021 en 2022 is het beleidsonderzoek diepe plassen uitgevoerd. Hiermee is gevolg gegeven aan de toezegging in het notaoverleg Bodem van 12 mei 2020. De doelstelling van het onderzoek was:

  • Het voeren van een brede bestuurlijke dialoog met als doel bouwstenen te ontwikkelen voor het toekomstige diepe-plassen-beleid in samenhang met vraagstukken rondom circulariteit, natuurontwikkeling, hoogwaterveiligheid en de winning van zand en grind voor bouwopgaves.
  • Het uitvoeren van een botsproef om vast te stellen of de Omgevingswet voldoende waarborgen biedt voor het verantwoord verondiepen van diepe plassen.

Zowel aan de bestuurlijke dialoog als aan de botsproef hebben diverse private en publieke belanghebbenden deelgenomen. In het kader van de bestuurlijke dialoog is een viertal rondetafelgesprekken gevoerd. Tijdens deze bijeenkomsten zijn de belangrijkste issues, knelpunten, dilemma’s en 13 bouwstenen (bijlage 1) voor nieuw beleid in beeld gebracht. De dialoog heeft zich gericht op de volgende zes
thema’s: 1) nut en noodzaak van het verondiepen, 2) governance, 3) natuur, 4) wet- en regelgeving, 5) vergunningverlening, toezicht en handhaving en 6) de rol van de markt. Onderstaand zijn de resultaten van het beleidsonderzoek in samenhang met ecologisch onderzoek en de aanbevelingen van de heer Kuijken beschouwd.

4) Wet en regelgeving
Omgevingswet
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vindt de verondieping van een diepe plas niet langer plaats op grond van algemene regels en een meldplicht, maar wordt voor een verondieping een vergunning en m.e.r.-beoordelingsplicht geïntroduceerd. Met de vergunning en m.e.r.-beoordelingsplicht is invulling gegeven aan het eerste deel van de motie van Stoffer en Van Brenk van 17 oktober 20198. Met genoemde vergunning- en de m.e.r.-beoordelingsplicht geef ik daarnaast gevolg aan de motie van lid Van Brenk van 12 mei 20209 waarin wordt verzocht om vereenvoudiging en verduidelijking van de regelgeving.

De vergunning- en m.e.r.-beoordelingsplicht en de andere instrumenten onder de Omgevingswet – zoals de omgevingsvisie, de omgevingsplannen en verordeningen – bieden voldoende mogelijkheden voor een goede afweging en de beantwoording van de vraag of een verondieping wenselijk en mogelijk is. Dit vraagt wel om goed overleg tussen de private en publieke partijen en voldoende participatie van omwonenden. Kennis en ervaring met de instrumenten onder de Omgevingswet moeten nog worden opgedaan. Ook na invoering van de Omgevingswet zijn verschillende bestuurslagen verantwoordelijk voor het proces van winning en verondiepen. Dit maakt dat betrokkenen het geheel van toepasselijke regelgeving complex vinden. Ik ga daarom ter ondersteuning van de implementatie van de
regels onder de Omgevingswet - in overleg met de betrokken partijen - een kennisdocument ontwikkelen en een CoP (Community of Practice) instellen. Een CoP biedt de mogelijkheid om kennis en ervaring te delen en te experimenteren met de nieuwe instrumenten en regels.

Ontwikkelingen vergunningplicht
Door een van de deelnemers aan de bestuurlijke dialoog is verzocht om een maatlat voor de beoordeling van een vergunningsaanvraag (beoordelingskader). Ik zal voor de zomer van 2023 samen met Rijkswaterstaat en de waterschappen bekijken in welke mate de beoordelingsregels van de Omgevingswet de gewenste duidelijkheid hieromtrent al bieden en – zo niet – hoe hier verder invulling aan kan
worden gegeven.

Chemische, fysische en biologische kwaliteitseisen
Verder is door de deelnemers aan de bestuurlijke dialoog, naast chemische eigenschappen, aandacht gevraagd voor de fysische en biologische eigenschappen van het toe te passen materiaal. De vraag is of met een bredere beoordeling de kwaliteit van het materiaal beter kan worden afgestemd op de ontwikkeldoelen van een diepe plas en/of een gebied. Omdat dit vraagstuk niet uniek is voor diepe
plassen, zal ik dit voor het bodembeheer in brede zin bekijken. Het is overigens niet zo dat in het Besluit bodemkwaliteit nu geen fysische
kwaliteitseisen worden gesteld aan het toe te passen materiaal. Zo maken de definities in het Besluit bodemkwaliteit – mede gebaseerd op fysische eigenschappen - een onderscheid mogelijk tussen grond, baggerspecie en bouwstoffen. Ook is de aard en omvang van het mogelijk aanwezige bodemvreemd materiaal – zoals hout, bakstenen en plastics – gedefinieerd. Ik zal in 2022 en 2023 in het kader van de ontwikkeling van het ‘programma bodem en ondergrond’ een verkenning uitvoeren naar de fysische- en biologische eigenschappen van grond en baggerspecie en de mogelijke consequenties bij hergebruik. Belangrijk hierbij is aandacht voor de uitvoerbaarheid.

Afstemming vraag en aanbod
Tenslotte is gevraagd om de import van grond en baggerspecie te beperken en vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen. Gezien de Europese regels voor het vrijhandelsverkeer voor goederen en personen is het weren van buitenlands materiaal dat aan de Nederlandse eisen voldoet niet mogelijk. Uit het voornoemde ecologisch onderzoek volgt, zoals aangegeven, dat de ecologische kwaliteit van diepe plassen niet per definitie slechter is dan van verondiepte diepe plassen. De verwachting is dat hierdoor op een voorgenomen verondieping bij de initiatiefnemer een zwaardere verantwoordingsplicht rust om richting bevoegd gezag aan te tonen dat een verondieping meerwaarde heeft voor de ecologie en daarmee ook nuttig is. Ik verw acht dat dit van invloed zal zijn op het aantal initiatieven en de vraag naar grond en baggerspecie.

Ik zal de import van grond en baggerspecie de komende 10 jaar, tweejaarlijks monitoren, en onderzoeken of het huidige instrumentarium voldoende mogelijkheden biedt om hergebruik van gebiedseigen materiaal zoveel als mogelijk te bevorderen.
Tenslotte zal ik met provincies nader verkennen of er een vorm van regie mogelijk is op het aantal verondiepingsprojecten versus het verwachte aanbod aan grond en baggerspecie. Hiermee kan ook een tijdige afronding van lopende verondiepingsprojecten worden bevorderd.

Tenslotte
De afgelopen jaren is er veel te doen geweest over het verondiepen van diepe plassen. Ik vind het belangrijk om met alle betrokken partijen te bekijken waar de belangrijkste problemen zitten en welke verbetermogelijkheden worden gezien.
Dat is met de brede bestuurlijke dialoog gedaan door het in beeld brengen van bouwstenen voor de herijking van het diepe plassenbeleid. Voor een enkele bouwsteen is nog aanvullend onderzoek nodig– voordat een actiepunt kan worden geformuleerd. Ik doe dit in overleg met de betrokken partijen. Zie hiervoor tabel 1.


Gezien het resultaat van deze dialoog, de uitkomsten van het ecologisch onderzoek, de ambities en doelstellingen van het NWP en de KRW vind ik het belangrijk dat een verondieping alleen plaatsvindt wanneer er geen significante negatieve gevolgen zijn te verwachten voor de grond- en oppervlakwaterkwaliteit, de ecologie en de gezondheid van mens en dier. De vergunning- en m.e.r. beoordelingsplicht onder de Omgevingswet zijn belangrijke instrumenten om integraliteit en transparantie te borgen. Ik vind het verder belangrijk dat participatie van betrokken inwoners van gemeenten binnen de vergunningprocedure goed worden geborgd. Hiermee moet ervaring worden opgedaan en ik zal dit ondersteunen met een Community of Practice. De vergunning is niet de ‘heilige graal’. Het is vooral nodig dat alle betrokken partije bij de voorbereiding en uitvoering van een verondieping goed samenwerken. Ik doe daartoe dan ook een oproep. Met de herijking van het diepe-plassen-beleid komt er meer nadruk te liggen op het beschermen van grond- en oppervlakwaterkwaliteit en de ecologie. Dat betekent dat een diepe plas voor vrijkomende grond en baggerspecie niet altijd meer een logische bestemming zal zijn. Ik vind het daarom belangrijk om te bekijken of de randvoorwaarden voor hergebruik van grond op land kunnen worden verbeterd.

Bron: Rijksoverheid.nl

Kamerbrief over herijking diepe-plassen-beleid (herijking-diepe-plassen-beleid.pdf, 406 Kb) [Download]

Beslisnota beleidsbrief diepe plassen (bijlage-beslisnota-s-ter-publicatie-beleidsbrief-diepe-plassen.pdf, 182 Kb) [Download]