SCHREURS GROEP

Beantwoording Eerste Kamer vragen over de ontwerpbesluiten bij de Omgevingswet [CLONE]

[Contact us for a price]
 

Description

Omgevingsweb | Beantwoording Eerste Kamer vragen over de ontwerpbesluiten bij de Omgevingswet

Minister Schultz van Haegen (IenM) geeft in haar brief aan de Eerste Kamer een korte toelichting over het proces van de ontwerpbesluiten in relatie tot de Invoeringswet Omgevingswet en de aanvullingswetten. De toelichting vormt een aanvulling bij haar antwoorden op de vragen van de Eerste Kamer over de ontwerpbesluiten bij de Omgevingswet.

Met belangstelling heeft het kabinet kennis genomen van de vragen en opmerkingen van de fracties over de vier ontwerpbesluiten onder de Omgevingswet. Het kabinet dankt de fracties voor de uitgesproken belangstelling.

Hierbij ontvangt u mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de antwoorden op de door u gestelde vragen. Het kabinet hoopt dat met deze antwoorden de vragen naar tevredenheid zijn beantwoord. De behandeling van de ontwerpbesluiten is een belangrijke stap op weg naar de stelselherziening van het omgevingsrecht. Het kabinet ziet dan ook uit naar het vervolg van de behandeling. Bij de beantwoording is de volgorde van het verslag aangehouden. Over verschillende onderwerpen zijn vragen van gelijke strekking gesteld. Waar dat aan de orde is wordt terugverwezen naar eerdere antwoorden.

In aanvulling op de beantwoording van de vragen geeft het kabinet u in deze brief een korte toelichting over het proces van de ontwerpbesluiten in relatie tot de Invoeringswet Omgevingswet en de aanvullingswetten.

In mijn brief van 18 november 2016 (Kamerstukken II 2016/17, 33 118, nr. 44) heb ik u geïnformeerd over de uitkomsten van de consultatie en de wijze waarop het kabinet ermee om wil gaan. In aanvulling hierop informeer ik u graag over twee recente ontwikkelingen. Het betreft de thema’s complexe bedrijven en het Natuurnetwerk Nederland.

Download: Antwoorden op vragen Eerste Kamer over de ontwerpbesluiten bij de Omgevingswet

Proces ontwerpbesluiten, Invoeringswet en aanvullingswetten

Het kabinet werkt aan verschillende trajecten die nog zullen leiden tot aanvullingen van de vier ontwerpbesluiten. Met de voorgenomen Invoeringswet Omgevingswet, waarover de openbare consultatie recent is afgerond, past het kabinet de Omgevingswet aan. Ook zal die wet het overgangsrecht regelen. De consequenties van de Invoeringswet Omgevingswet voor de vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) komen aan de orde bij het voorgenomen Invoeringsbesluit Omgevingswet. Het ontwerp van de Invoeringswet Omgevingswet wordt samen met de ontwerpen van het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor advisering voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Naast de Invoeringswet en het Invoeringsbesluit lopen trajecten voor een viertal aanvullingswetten (bodem, geluid, grondeigendom en natuur). De voorgenomen aanvullingswetten wijzigen de Omgevingswet en de onderliggende aanvullingsbesluiten zullen de vier AMvB’s wijzigen.

Complexe bedrijven

Voor de complexe bedrijven is het van belang nogmaals te kijken naar de balans tussen vergunningvoorschriften en algemene rijksregels. Het kabinet is van plan om in het ontwerp-Bal een aantal aanpassingen aan te brengen om de inzichtelijkheid van de algemene rijksregels voor deze bedrijven te verbeteren. Door een aparte afdeling voor de complexe bedrijven wordt de afbakening tussen de vergunning en de algemene rijksregels die van toepassing zijn verder verduidelijkt. Ook zal een aantal activiteiten voor deze bedrijven in de vergunningvoorschriften worden geregeld in plaats van in het Bal. Dit zorgt voor een goede balans tussen de vergunningvoorschriften en inzichtelijke rijksregels. Hiermee wil het kabinet ook tegemoet komen aan de consultatiereacties die het IPO en VNO-NCW hierover hebben ingebracht.

Daarnaast is in overleg met het IPO, de VNG en VNO-NCW voor complexe bedrijven nogmaals gekeken naar de verhouding tussen het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor de afwijkactiviteit en de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit. De hoofdregel is dat het college van burgemeester en wethouders zelf bevoegd gezag is voor omgevingsvergunningen voor afwijkactiviteiten. Bij complexe bedrijven regelt het ontwerp-Omgevingsbesluit nu dat de provincie bevoegd gezag is voor alle omgevingsvergunningen en dat het college van burgemeester en wethouders een advies met instemmingsrecht heeft op omgevingsvergunningen voor afwijkactiviteiten. In sommige gevallen kan dit botsen met de verantwoordelijkheden van de provincie op grond van de Seveso- richtlijn en de richtlijn industriële emissies. Daarom is het kabinet van plan in het ontwerp-Omgevingsbesluit een beperkte aanpassing door te voeren op het instemmingsrecht van het college van burgemeester en wethouders voor afwijkactiviteiten voor complexe bedrijven. De gemeente heeft in alle gevallen adviesrecht over aanvragen met betrekking tot afwijkactiviteiten, maar de provincie hoeft de vergunning voor de afwijkactiviteit straks niet voor instemming aan te bieden bij de gemeente wanneer het afwijken verband houdt met een goede uitvoering van de Seveso-richtlijn of de richtlijn industriële emissies. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een aanvraag voor de uitbreiding van een chemische fabriek met een grote stookinstallatie. De provincie concludeert na de integrale milieubeoordeling bij de vergunningverlening voor de milieubelastende activiteit dat de schoorsteen van de fabriek tien meter hoger zou moeten zijn dan het omgevingsplan toestaat om de lokale luchtverontreiniging te verminderen. Om te voorkomen dat het omgevingsplan een betere oplossing voor de leefomgeving in de weg staat, in dit geval de luchtkwaliteit, moet het in zo'n geval mogelijk zijn om van de bouwhoogte in dit omgevingsplan af te wijken ten gunste van de lokale luchtkwaliteit. Er is dan een omgevingsvergunning nodig om af te wijken van de maximale bouwhoogte in het omgevingsplan. Het kabinet is van plan het instemmingsrecht voor het college van burgemeester en wethouders in dat specifieke geval te laten vervallen. Het gaat hier om een zeer beperkte uitzondering. Als een vergunning voor het afwijken van het omgevingsplan wordt aangevraagd om een andere reden, bijvoorbeeld omdat het bedrijf een nieuw kantoorgebouw wil plaatsen op een plek waar geen bebouwing is toegestaan, dan heeft de gemeente wel instemmingsrecht.

Natuurnetwerk Nederland

De natuurwetgeving zal via de Aanvullingswet natuur en de bijbehorende uitvoeringsregelgeving in het stelsel van de Omgevingswet worden opgenomen. Provincies vervullen een centrale rol in het natuurbeleid, zoals ook benadrukt in artikel 1.12 van de per 1 januari 2017 in werking getreden Wet natuurbescherming. Met het Natuurpact is de centrale rol van de provincies in het natuurbeleid verder versterkt. Onderdeel van het natuurbeleid is het natuurnetwerk Nederland. Het kabinet hecht er sterk aan dat dit netwerk wordt beschermd, versterkt en ontwikkeld.

Het natuurnetwerk Nederland dient onder de Omgevingswet een gelijkwaardig beschermingsniveau te hebben als onder het huidige Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het IPO heeft in reactie op de consultatieversie van het Bkl aangegeven dat het vanuit de gedachte van subsidiariteit en decentralisatie niet gepast is om met gedetailleerde instructieregels vast te leggen hoe provincies hun afwegingen moeten maken. Volgens het IPO beperken de instructieregels in het ontwerp-Bkl zoals dat bij uw Kamer is voorgehangen de bestuurlijke afwegingsruimte van provincies onnodig en belemmeren de regels de provinciale uitvoeringspraktijk. Dit komt de bescherming niet ten goede. Het kabinet zal deze consultatiereactie verwerken en de instructieregels zo aanpassen dat gestuurd wordt op het resultaat dat door de provincies bereikt moet worden. De nieuwe opzet past bij de decentralisatiegedachte van de Omgevingswet: het Rijk stelt de kaders en resultaten, daarna is het aan provincies om die taak binnen de kaders uit te voeren. Het kabinet is van mening dat, hoewel natuur- en milieuorganisaties vragen om meer sturing van het Rijk op de afwegingen van de provincies over het natuurnetwerk, een resultaatgerichte sturing beter is. In het Natuurpact is hiertoe afgesproken dat het de Minister van Economische Zaken verantwoordelijk is voor de kaders en ambities en dat provincies verantwoordelijk zijn voor het invullen en uitvoeren van dit beleid. Jaarlijks informeren provincies het Rijk over de ontwikkelingen op het gebied van natuur, de voortgang van de realisatie van de ambities en eventuele knelpunten daarbij en dus ook over het natuurnetwerk Nederland. Daarnaast voert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in opdracht van de staatssecretaris van Economische Zaken en het IPO driejaarlijks een evaluatie uit van het Natuurpact. De evaluatie van het Natuurpact is op 25 januari 2017 (Kamerstukken I 2016/17, 33 348, AC en Kamerstukken II 2016/17, 33 576, nr. 96) naar de beide Kamers gestuurd.

Ten opzichte van het ontwerp-Bkl zal duidelijker verwezen worden naar de van internationale biodiversiteitsverplichtingen afgeleide doelstellingen. Hierdoor zal het Bkl beter aansluiten bij de nieuwe Wet natuurbescherming. In het Bkl zal daarom tot uitdrukking worden gebracht dat de door provincies te stellen regels niet alleen op bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk moeten zijn gericht, maar ook op verbetering van die waarden. Ook zal compensatie van aantastingen van het natuurwetwerk Nederland in het Bkl worden geconcretiseerd, waarbij tevens het belang van tijdigheid van die compensatie tot uitdrukking worden gebracht. Deze aanscherpingen ondersteunen de meer resultaatsgerichte benadering die het kabinet voorstaat.

Tegelijkertijd zal met de nieuwe formulering recht worden gedaan aan de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer over de verbetering van de bescherming van compensatienatuur en aan de motie-Van Veldhoven (Kamerstukken II 2016/17, 33 118, nr. 63) waarin de regering wordt verzocht ervoor te zorgen dat hoogwaardige compensatie wordt gewaarborgd. Aan het tweede element van de motie-Van Veldhoven wordt voldaan doordat een besluit tot vaststelling van een omgevingsplan, projectbesluiten en omgevingsvergunningen wordt voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Over ontwerpbesluiten als deze kan in die procedure een ieder zienswijzen indienen. Dat geldt dus ook voor burgers en participanten als de natuurorganisaties. Het kabinet vindt ook brede participatie gedurende het gehele besluitvormingsproces van groot belang. Hierdoor zullen ook de belangen van natuurorganisaties tijdig worden betrokken. Deze uitgangspunten zullen in de nota van toelichting van het Bkl benadrukt worden.

Download: Antwoorden op vragen Eerste Kamer over de ontwerpbesluiten bij de Omgevingswet

Bron: Omgevingsweb.nl